De boom die flamenco heet

Flamenco is een van de bekendste etnische muzieksoorten van Europa met invloeden uit de Joodse en Arabische wereld, de zigeunergemeenschap en Spaanse volksmuziek. Deze zuid-spaanse multiculturele en multidisciplinaire muziekstroming is moeilijk te bevatten. Maar wordt je eenmaal gepakt door de muziek en zijn mystiek, dan laat het je niet weer los, zeker als je de essentie van de flamenco ervaart, de betovering genaamd duende. Flamenco is een kunstvorm die zich wereldwijd verspreid heeft. Het heeft zijn invloed op de popmuziek uitgeoefend en vice versa. Maar ook op de (Spaanse) literatuur, poezie, theater en andere kunstdisciplines.

Als men in Nederland spreekt over Flamenco wordt dit vaak geassocieerd met castagnetten en danseressen in prachtige jurken. Sommigen zullen denken aan de Gipsy Kings. In sommige gevallen zal men denken dat je over die roze vogel met die kromme nek aan het praten bent; de flamingo. Door menig vakantie in Spanje te hebben doorgebracht kwam ik in aanraking met popliedjes met flamenco invloeden. Om muziek leuk te vinden en wellicht te begrijpen moet je er een bepaalde beleving en gevoel in kwijt kunnen. Bij deze popliedjes had ik een aardige beleving en dit maakte mij nieuwsgierig.

Bij de wekelijkse markt in een klein Catalaans stadje zat er plot een man zonder benen op de stoep met een gitaar en speelde en zong met hart en ziel Flamenco. Nooit eerder had ik een (straat)muzikant gezien die zo’n enorm emotioneel gevoel over wist te brengen. Kippenvel. Ondanks dat ik voorheen nooit echt bewust Flamenco gehoord had wist ik op dit moment; flamenco is puur.

Later ving ik een glimp op van een film die op een zondagmiddag door de NPS uitgezonden werd. Geheel onverwachts kwam ik weer in aanraking met Flamenco. Ik had maar een klein deel van de film gezien. Drie jaar lang liep ik met deze film in m’n achterhoofd; ik moest en zal hem helemaal zien alleen wist ik de titel niet. Na een toevallig gesprek bleek het om de film ‘Vengo’ (‘Ik kom’) te gaan. Meteen heb ik hem aangeschafd en bekeken. Een puur verhaal over een familieconflict in Andalucia (Zuid-Spanje) die als leidraad Flamenco had. Naast het feit dat de f ilm op zich al puur was, geen overdreven acteerwerk en alle acteurs waren zelf betrokken in de Flamenco (dansers, zangers, gitaristen) bevestigde een oneliner mijn ontdekking dat Flamenco hele pure muziek was; na een spontaan optreden van La Caita in een kroegje in Sevilla riep een omstander ‘Viva l’arte’ (‘leve de kunst’) waarop iemand van La Caita’s gezelschap trots zei: ‘Viva el Flamenco! El Flamenco puro!’ (Leve de Flamenco! De pure Flamenco). Deze film weergeeft een goed beeld van het gevoel dat geworteld zit in de Flamenco. Ook al versta je er geen woord van je voelt de smart in de klaagzangen. Als je eenmaal dit gevoel beleefd hebt laat het je nooit meer los en kan het je diep raken tot kippenvel en tranens toe (duende).

Maar wat is flamenco nou eigenlijk? In deze paper ga ik op onderzoek naar wat de (etnische) achtergronden zijn van de flamenco, welke grootheden de flamenco kende, welke invloeden er zijn geweest op de flamenco en zal flamenco ergens invloed op hebben? Zijn er banden met betrekking tot popmuziek en popcultuur en andere kunststromingen? Wat zijn de wortels? Wat is de stam en heeft deze inkervingen? Waar groeien de takken en bladeren heen? En waar vallen de bladeren? Door middel van verschillende media ga ik op onderzoek uit.

De ethnische samenstelling van Spanje en Andalucia na de val van het Romeinse Rijk
Om een goed idee te krijgen van de geschiedenis van de flamenco is  het niet verkeerd een beeld te krijgen van de culturele achtergrond van Andalucia. Zo zijn de Vandalen na de val van het Romeinse rijk tot aan Andalucia getrokken. Andalucia is dan ook vernoemd naar de Vandalen. De Moren noemden dit gebied later ‘Al-Andalus’ wat een verbastering is van het Arabische woord ‘Al-Wandaluz’ wat ‘gebied van de Vandalen’ betekend. Vlak daarna kwamen de Visigoten die de Vandalen wegdreven naar Noord-Afrika. Bij een onderling conflict rond het jaar 710 schakelden de Visigoten de hulp in van de Moren, afkomstig uit het huidige Marokko en Algerije.

Niet lang daarna slaagden de Moren er in om binnen tien jaar vrijwel heel Andalucia te veroveren en later de rest van het Iberisch schiereiland. Later verklaarden de Moren in Andalucia de staat Cordoba onafhankelijk en men begon met de bouw van een grote moskee. In de bloei van de staat Cordoba was de gelijknamige stad een groot cultureel centrum van de Moren en de grootste stad van Europa. ‘Al-Andalus’ was het moorse gebied op het Iberisch schiereiland en was destijds niet alleen het Andalucia van nu maar strekte zich uit tot de huidige Spaans/Franse grens. Al-Andalus was een van de machtigste en rijkste staten en bezat enorme wetenschappelijke kennis.

Ondanks de beperkingen die Joden en Christenen opgelegd konden zij vreedzaam samenleven met de Moren. Joden bekleedden hoge functies binnen het Kalifaat en kregen de kans om het Hebreeuws te studeren en nieuw leven in te blazen. Veel huidige Flamenco termen zijn af te leiden uit het Hebreeuws, zoals het ‘jaleo’ (werkwoord: jalear), een afgeleide van jelel, een Hebreeuws woord voor aanmoedigen.

De moren namen de ‘ud’ mee, een Arabisch snaarinstrument met een bolle klankkast en vijf (paar) snaren (gestemd in G – D – A – E – D). In eerste instantie had de Ud vier snaren en was de ud met een vel bespannen. Later, ten tijde van het kalifaat van Cordoba, heeft de bekende Arabische artiest Ziryab dit veranderd in vijf snaren en een houten klankkast. ‘Al ud’ betekend dan ook ‘het hout’.

In het Spaans werd dit ‘La ud’ en in het Nederlands is dit weer verbasterd tot ‘Luit’. De Spanjaarden hebben de ‘Laud’ vervolgens weer meegenomen naar Cuba waar het nog steeds een belangrijk instrument is in bijvoorbeeld de ‘son’.

Rond het jaar 1100 kwamen de christenen vanuit het noorden in opstand tegen de Moren. Hiermee begon de requisitie, de ‘herovering’ op het Spaanse schiereiland. De christenen stelden de moren en de joden voor de keuze; bekeren tot het christendom of het land verlaten. Eerst werden de Joden verdreven door het anti-semitisme van de Roomse kerk. Frapant is bijvoorbeeld het feit dat op de dag dat Columbus met zijn drie schepen vertrok om de ‘nieuwe wereld’ te ontdekken (1492), even verderop in dezelfde haven schepen vol met Joden Spanje ontvluchtten. Ook de ‘morriscos’ moesten zich bekeren of ‘hun biezen pakken’ maar werden een tijd lang nog geaccepteerd vanwege hun wetenschappelijke kennis. Na opstanden van de Moren werden deze op een gewelddadige manier de kop ingedrukt en werd besloten ook hun te deporteren. Velen hiervan vluchtten naar ‘El Maghreb’ (het huidige Marrokko), maar ook naar bijvoorbeeld Frankrijk, Egypte en Turkije. Sommigen ontkwamen de deportatie of keerden terug in het geniep. Merkwaardig is dat in deze tijd de zigeunerpopulatie in een keer een enorme boost kreeg. Wellicht sloten veel Moren zich aan bij de zigeunergemeenschap. Ook was er destijds een grote Joodse gemeenschap in Spanje/Andalucia.

Al ten tijde van de Romeinse overheersing leefden er in Spanje Joden waar ze aardig vreedzaam samen konden wonen met de rest van de bevolking. Toen de Visigothen kwamen wilden zij een christelijke staat en verboden het jodendom. Toen de Arabieren kwamen werden zij dan als de bevrijders gezien de Joden. Onder de Arabieren konden zij hun gang gaan en waren vooral actief in de handel.  De gemeenschap van deze Sefardische Joden bloeide op waardoor zij de reputatie kregen rijk te zijn. Ook maakte deze gemeenschap een bloeitijd door op cultureel, theologisch, wetenschappelijk en filosofisch gebied. Dit heeft invloed gehad op de Flamenco, zoals liederen en poezie.

Na de Arabische bezetting van het Iberisch schiereiland werden onder Rooms-Katholiek bewind alle Joden verdreven. Velen vluchtten, waaronder naar Nederland. Denk aan de Spaanse achternamen van Joden in Nederland.

Vaak wordt Flamenco geassocieerd met zigeuners. Het waren immers de zigeuners die begonnen met de Cante Jondo zoals de soleares, die tot aan het einde van de 19e eeuw onbegeleid gezongen werden of, om in flamenco termen te spreken, ‘a palo seco’ gezongen. In deze periode ontmoetten gitanos (‘zigeuners) en payos (‘niet-zigeuners’) elkaar in gure herbergen buiten de stadswallen. Hier is waarschijnlijk het begeleidende element van de gitaar toegevoegd aan de zang. Eerst vooral door payo-gitaristen maar wat later ook door zigeuners overgenomen werd.

Later werd de gitaar niet alleen begeleiding maar groeide het uit tot een solo-instrument waarop virtuozen als Paco de Lucia zich uitleefden. Deze welbefaamde gitarist was eerst de gitarist van flamenco legende Camaron de la Isla maar ging later verder als solo-gitarist.

Zigeuners stammen af van een volk dat in Noord-India leefde. Tijdens de moslimoorlogen werden velen ontvoerd om als slaaf te dienen. Toen deze slaven rond het jaar 1200 vrij kwamen hadden zij geen eigen land en begonnen zij rond te trekken richting het westen. Alhoewel de meeste zigeuners Europa binnen zijn getrokken via Azie – Oost-Europa is het bekend dat de Spaanse zigeuners via Noord-Afrika Spanje zijn binnengekomen. Dit verklaard ook de Spaanse benaming voor zigeuner; ‘Gitano’ evenals de engelse; ‘Gipsy’. Dit verwijst naar Egypte, waar de zigeuners blijkbaar een tijdlang hebben verbleven. In eerste instantie werden de zigeuners min of meer geaccepteerd maar ook zij ontkwamen niet aan de requisitie. Hun rechten werden op vele gebieden ingetrokken maar zij werden minder extreem vervolgd dan de Joden en Moren. De reden van de zigeunervervolging was dat de Roomse kerk de zigeuners als heidenen bestempelde. In die tijd is het negatieve stigma, zoals we die nog steeds veel tegenkomen, tot stand gekomen, waardoor velen van hen behoren tot de laagste sociale klasse van de samenleving.

La Caita zingt in het onderstaande filmpje:

From Isabela The Catholic
From Hitler to Franco
they were victims
of their wars,
all the gipsies.

Some nights
some nights
Like other nights
I am dying of envy
when I see how
you caress your dog.

Oh, you are a stork
that touched earth
I am a black bird
that fell down to it.

Why do you spit me in the face?
What could I have done to you
a part from being dark skinned and gipsy?

De betovering
Het belangrijkste binnen de flamenco is duende waarvan de letterlijke betekenis ‘elf’ of ‘dwerg’ is. Duende is een soort beheksing die uit gaat van de flamenco. Er komt een muzikale extase die fysiek zichtbaar is door kippenvel en tranen. Duende ontstaat uit een bepaald samenspel van klanken, woorden en gebaren. Daarin zijn de gitaar en de dans de muzikale en visuele begeleiding van de zang, de oerbodem van de flamenco.
Ivo Hermans heeft het in zijn boek ‘Duende’ over ‘die onbeschrijfelijke, verdrietige blijdschap’ en ik denk, bekeken vanuit mijn eigen belevenis van dit verschijnsel, dat dit een goede korte omschrijving is van wat duende is. Duende is de essentie van de flamenco. Een flamencozanger kan nog zo goed zingen, als hij geen duende heeft dan zal het publiek dit meteen door hebben. Het is niet per se ontroering, misschien wel helemaal niet, maar een magisch moment die je in een keer te pakken zult hebben. Een moment van blijdschap en verdriet op hetzelfde moment. Federico Garcia Lorca wijdde er een heel boek aan (‘Theory and play of the duende’) en ook Goethe schreef er over. Cantaor zei dat hij alleen met duende goed kon zingen. Hij zong dan voor de doden, voor zijn voorouders, ‘cantabra para sus muertos’. Een voorbeeld hiervan is het verhaal van Luis de la Pica, een van de beste vrienden van Camaron de la Isla, die enkele jaren na de dood van Camaron stomdronken te gast is bij een TV-show waar hij nauwelijks een woord kon zeggen. Totdat hij a palo seco begon te zingen. Een buleria al golpe die het publiek onthutste. Na afloop werd hem gevraagd hoe dat toch kon. Hij zei, wijzende naar een lege stoel, ‘Ik zong voor Camaron die daar zit’.

Duende is ook te vergelijken met wat saudade bij de Fado is, de melancholische Portugese stadsmuziek. Ik heb het idee dat deze muziek erg in opkomst is, ook in Nederland. Het zijn dan ook mooie tedere liederen die een bepaald verlangen, misschien naar nostalgie oproepen. Fado is wat dat betreft een stuk makkelijker te begrijpen en te voelen dan flamenco. Want het vergt veel van een beginner om flamenco te leren begrijpen.
Naast de Fado kent ook de Griekse stadsmuziek, rebetika, een soort saudade, een weemoedig gevoel wat men kaimos noemt. Er is zelfs een flamenco versie van een Grieks lied gebruikt om, naar mijn beleving, het gevoel van duende beter te benadrukken in de film ‘Vengo’ van Tony Gatlif. Het nummer uit de film heet ‘Naci en Alamo’. Later is dit nummer weer gebruikt door Yasmin Levy, een bekende sefardisch-joodse zangeres die onder andere ‘flamenco’ zingt.

Muzikaliteit van de Flamenco
Er zijn tal van flamencostijlen (palos) en vinden hun oorsprong in de plaats van herkomst. Zo komen bijvoorbeeld de granainas uit Granada en de malaguenas uit Malaga. Ook zijn er de tarantas, farrucas, bulerias, alegrias, soleares en nog veel meer. Vroeger had elke stad zijn eigen stijl maar tegenwoordig speelt men ook overal de stijlen van elders.

De meeste stijlen hebben een 12/8 maat zoals de alegrias, bulerias en soleares. Het woord solea komt van het Spaanse soledad, wat eenzaamheid betekend, en het zelfde is als het Portugese saudade.

De toonsoort die vaak gebruikt wordt is gebaseerd op de frygische toonladder en hier zijn meerdere variaties op. Ook is het compas van zeer groot belang bij de muziek. Het compas is het ritme en de ritmevastheid. Als men niet het juiste ritme en de stijl weet zullen de zanger, gitarist en eventuele dansers in de war komen. Per palo is het compas anders. Zo liggen bijvoorbeeld bij de solea op de derde, zesde, achtste, tiende en twaalfde tel. Het compas wordt in veel gevallen versterkt door de palmas, het klappen in de handen, strak op de maat waarbij meerdere variaties per palo mogelijk zijn. Bij de cante jondo als de zanger a palo seco zingt geeft hij de tel aan door middel van het tikken met de knokkels op een tafel. Verder wordt bij de dans het compas aangeven door middel van het tikken van de voeten op de vloer waarbij men de punt, de hak en de bal van de schoen gebruikt. Dit noemt men ook wel zapateado, afgeleid van het Spaanse woord voor schoen; zapato (om aan te geven dat de Spanjaarden ook in Indonesie hebben gezeten: het Indonesische woord voor schoen is sepatu).

Naast het compas is ook aan het intro te horen wat de palo is. De soleares beginnen vaak met ‘lerelerele’, de siguiriyas met ‘ay ay ay’, de alegrias met ‘tirititran’ en de bulerias met ‘trajili’.

Sevilla en religie – sevillanas en saetas

Een wat makkelijkere stijl zijn de Sevillanas, die de naam te danken hebben aan de stad van herkomst; Sevilla. De sevillanas zijn een crossover tussen flamenco en de traditionele Castilliaanse volksmuziek. Het is een erg toegankelijke stijl en dit is dan ook de eerste stijl die men leert tijdens de eerste flamenco danslessen. Sevillanas worden vaak in een ¾ maat gespeeld en de nadruk ligt op de eerste tel, die benadrukt wordt door geklap, het geluid van castagnetten en zware trommels. Ook speelt er vaak een fluit mee. Sevillanas zijn ietwat bombastisch en volkser dan ‘echte’ flamenco. Omdat het toegankelijker en volkser is, en in veel gevallen ook bijna popmuziek is, worden de sevillanas, evenals de rumbas, ook wel de drempel van de flamenco genoemd. Op de CD is een traditionele sevillanas te horen gespeeld door een Nederlandse flamencogroep (Calle Real) die in Spanje optreedt tijdens een lentefeest in Andalucia.

Tijdens pinksteren stromen duizenden gelovigen naar het bedevaartsoord ‘El Rocio’. Hier worden de (katholieke) sevillanas rocieras gespeeld. Deze liederen worden vaak gezongen in de dagen voorafgaand aan de uittocht van de ‘Virgen’ uit de kerk, de uiteindelijke climax van de hele bedevaart. Men begint met het zingen en spelen van de liederen tijdens ‘el camino’ de (voet)tocht naar El Rocio. Voor veel gelovigen is dit het moment van het jaar en elke cent wordt dan ook omgedraait om hier aan deel te nemen.

Een uitgebreide Nederlandse documentaire over El Rocio was te zien op de KRO. Deze aflevering van Holy Shit!, gepresenteerd door Sebastiaan Labrie, is terug te vinden op de website van de KRO.

Bij ‘La Macarena’ zul je ongetwijfeld denken aan de gelijknamige wereldhit van Los del Rio. Echter is La Macarena, of Virgen de la Esperanza (maagd van de hoop), het centrale ‘beeld’ van de Semana Santa (heilige week), de week die voorafgaat aan pasen. Tijdens deze week worden er tal van processies gehouden met beelden van Maria of met scènes uit het lijden van Jesus. Deze wordt omringt door boetelingen die anoniem zijn en een gewaad dragen die we in Nederland zouden associeren met de Ku Klux Klan. Deze stoet wordt bijgestaan door een band die bestaat uit blazers. De grootste processies vinden plaats in Sevilla maar ook in ander steden in Andalucia en Spanje.

Op de balkonnen door de stad staan flamenco zangers. Bij elk van deze balkonnen stopt de stoet en stopt de muziek waarop de processiebeelden (pasos) wordt toegezongen door de cantaor met een saeta, a palo seco. De saeta is een vorm van cante jondo, oftewel diepe zang, en kan ook gezien worden als een soort gebed.

Op de CD staat een saeta die op straat gezongen worden aan de ‘Christus van de zigeuners’, een saeta al Cristo de los gitanos. Ergens in de verte hoor je de saeta luiden over de straten van Sacromonte, de grootste zigeunerwijk van Granada, begeleid door af en toe slagwerk en blazers. Gezongen in de stijl van Manuel Torre, een cantaor van de oude stempel, die bekend was om zijn indrukwekkende saetas. Bij de processies is mag men officieel niet blijven staan, maar zo’n 75 jaar geleden zong Manuel Torre in Sevilla zo’n krachtige saeta met zoveel duende dat geen enkele paso aan hem voorbij wilde gaan. Ze bleven staan maar begon heen en weer te wiegen om zo toch in beweging te blijven. Tot op de dag van vandaag heeft men deze wiegende beweging in ere gehouden als ode aan de legendarische Manuel Torre.

Rumba en popmuziek
Popmuziek is over het algemeen erg toegankelijke muziek in tegenstelling tot de pure flamenco. Flamenco heeft vaak een, voor buitenstaanders, moeilijk te volgen maatsoort en/of ritme. Echter er zijn een aantal stijlen, zoals de cante ida y vuelta (liederen van komen en gaan). Een voorbeeld hiervan zijn de rumbas. De Spanjaarden die vanuit onder andere Cadiz vertrokken na de ontdekking van Amerika namen hun liederen mee naar Cuba waar deze samen met de Afrikaanse ritmes omgevormd werd tot rumba. Vervolgens is deze rumba weer meegenomen naar Spanje en omgevormd tot de Spaanse rumba variant. Rumba is een erg toegankelijke stijl en zal door de meeste Andaluciers ook niet tot flamenco worden bestempeld. De rumbas zijn vooral erg populair onder de Catalaanse zigeunergemeenschap in Spanje en uit Zuid-Frankrijk, waar velen tijden de Spaanse burgeroorlog heen waren gevlucht uit angst voor Franco. Een goed voorbeeld hiervan is Manitas de Plata (handjes van zilver) die erg bekend werd met de rumbas, onder andere door het TV interview met de Franse actrice Brigitte Bardot in 1968. Manitas de Plata werkte samen met Jose Reyes en waren woonachtig in Zuid-Frankrijk omdat ze waren weggevlucht ten tijde van de burgeroorlog. Jose Reyes heeft later met zijn zoons de band ‘Jose y los Reyes’ opgericht wat de basis vormde voor wat later de Gipsy Kings zouden zijn. Als er een band was die de weg tussen pop en flamenco heeft verkort zullen het de Gipsy Kings zijn. Door de jaren heen zijn de Gipsy Kings aardig populair geweest in vele landen evenals in Nederland. Denk bijvoorbeeld aan de hit ‘Bamboleo’ (zie CD).

Het is altijd lastig om te verwoorden hoe bepaalde muziek klinkt. Rumba wordt gekenmerkt door een steady 4/4 maat en een soort rrrikketik-tak ritme dat men onder andere hoort in het gebruik van de gitaar als percussie-instrument, zoals het ‘golpeo’ (het kloppen op de gitaar) en het gebruiken van de snaren als een soort guiro waarbij men de snaren dempt en alleen een ritme zonder melodie hoort.

In hoeverre je dit flamenco mag noemen moet een ieder voor zichzelf bepalen. Ik heb ooit de uitspraak gehoord die luidde: ‘beter een rumba met duende dan een slecht gezongen solea’. Er zijn hele goede diepgaande rumbas maar er zijn er ook velen die naar mijn idee niet veel voorstellen. De moderne rumbas zijn vermengd met pop en zou men zo terug kunnen zien bij een muziekfestijn van de TROS. Denk bijvoorbeeld aan Belle Perez, de Belgische zangeres die regelmatig hier te zien is en scoorde met hits als ‘Que viva la vida’ (zie CD) en ‘Amor Latino’. Leuke popliedjes met een warm spaans gevoel. Maar als ik met het beetje Spaans wat ik ken het nummer ‘Amor Latino’ analyseer gaat de tekst vrijwel nergens over; liefde van de Latino, drinken van caipirinha, speel de gitaar, dans, dans, dans, ole, ole, rumba!

Een voorbeeld van een nummer met meerzeggende tekst is Los Calis met ‘Heroina’, waarop de band waarschuwd voor het gevaar van heroïne en hun eigen gemeenschap hiervoor wil behoeden omdat eind jaren ’70 begin jaren ’80 de drugs in opkomst kwamen en veel zigeuners aan de drugs raakten en hiervoor zelfs hun vrouwen lieten prostitueren. De trots en eer van de zigeuners ging hiermee deels ten onder maar de zigeunercultuur komt langzamerhand weer op.

Een voorbeeld van een zanger die echt ten onder ging aan deze harddrugs is Ray Heredia. Een van de meest veelbelovende cantaores uit de jaren ’80. Door de verslaving aan heroïne kwam er weinig terecht van deze belofte. Ray Heredia was in 1985 een van de grondleggers van de band Ketama maar ging al snel solo. ‘Alegria de vivir’ is een erg mooi gezongen nummer waarin, ondanks dat het om blijdschap gaat, veel smart te horen is van deze zanger.

Ketama is een band die jaren lang succesvol is geweest met wat men de ‘nuevo flamenco’ noemt, de nieuwe stroming van de flamenco waarbij met ook andere instrumenten gebruikte. Leuk feit is misschien dat Ketama een plaatsje in Marokko is waarlangs enorme hoeveelheden aan hasj gesmokkeld worden. Ketama maakt ook popliedjes maar maakte met het project Songhai (1988) ook gebruik van wereldmuziek door de toevoeging van de Malinese Toumani Diabate die het typische snaarinstrument ‘kora’ bespeelt. Een mooie crossover van Afrika en Spanje is het nummer ‘Jarabi’. Maar ook de rumbahit ‘vente pa madrid’ is een opzwepend nummer waarin een mooie solo zit met de kora.

Een voorbeeld van een band van een latere generatie, die onder andere rumbas gebruikt, is ‘Ojos de brujo’ uit Barcelona. Zij mengen flamenco met Indiase invloeden, hiphop en zelfs rock. Bij optredens maken ze gebruik van percussie en een DJ maar ook traditionele danseressen. In Nederland deden ze optredens op Pinkpop en Lowlands.

In de inleiding heb ik het gehad over Spaanse popliedjes met flamenco invloeden. Dit is de muziek van de erg populaire band ‘estopa’ of van Pastora Soler met bijvoorbeeld ‘damelo ya’ (zie CD). Wat serieuzere popmuziek met deze invloeden komt van El Bicho die zelfs Triana, de grootste zigeunerwijk van Sevilla, bezingt. Of neem een alternatieveling als Manu Chao die ook veel rumba invloeden gebruikt, zoals de cover van het bekende nummer ‘Volando Voy’ van Camaron, een perfecte mix tussen Cubaanse rumba en Spaanse flamenco.

Flamenco en de banden met Popcultuur

Buleria
Het is medio juli 2004. ‘Buleria! Buleria!’ klinkt er door veel speakers in Spanje. Zoals eerder vermeld is de buleria een van de verscheidene stijlen flamenco. Dit wat ik hoor heeft echter weinig betrekking met buleria (behalve het intro) maar heeft meer weg van een gelikte Spaanse top 40 hit. En dit klopt. Het is David Bisbal, die 2e werd bij Operacion Tunfo (Spaanse Idols variant) die met dit lied een nummer 1 hit scoort. Hierna volgden meer hits waaronder ‘silencio’. Dit nummer kennen wij als ‘jij bent zo’, maar dan van Jeroen van den Boom die in augustus 2007 de nummer 1 notering in de Nederlandse top 40 kreeg.

Volver, Pedro Almodovar, La Movida
Een van de mooiste, zogenaamde ‘cult’, films van 2006 was misschien wel ‘Volver’ van Pedro Almodovar. In de hoofdrol Penelope Cruz, de mooie madrileense actrice, als Raimunda. Neem eens een kijkje op IMDB.com en bekijk de nominatie en gewonnen awards, misschien dat dit wat zegt over de populariteit van deze muziek. In een scene ergens halverwege de film zingt (lees: playbackt) Raimunda een flamenco nummer begeleidt door twee gitaristen. Het is het nummer ‘Volver’ (zie CD) van de bekende flamencozangeres Estrella Morente, dochter van Enrique Morente, eveneens een bekende cantaor uit de generatie van Paco de Lucia en Camaron de la Isla. Enrique Morente is van huis uit een klassieke Andalusische cantaor maar treed ook op met rockband ‘Lagartija Nick’ op onder meer het Benicassim festival 2008.

Overigens was Pedro Almodovar een van de bekendste figuren in de periode van ‘La Movida’, de Spaanse popcultuur die ontstond in de eerste tien jaren na de dood van Franco. Na de jarenlange onderdrukking van Franco ontstond deze socioculturele beweging wat in grotendeels synoniem stond voor hedonisme. De beweging was te vergelijken met de Engelse ‘New wave’ en de Duitse ‘Neue deutsche welle’

Een bekende band uit deze tijd is Mecano die eerst synthipop maakte en later pop. Een van de bekendste hits ‘Hijo de la luna’ (zoon van de maan) waarin een zigeunervrouw aan de maan een echtgenoot vraagt. De maan vraagt in ruil hiervoor haar zoon. De vrouw heeft later pas door wat voor consequenties dit heeft. Om even een terugkoppeling te maken naar flamenco; zigeuners en flamenco gaan niet ongepaard. Voor de zigeuners bekeerd waren tot het christendom waren zij vooral bezig met hun eigen geloof waarin de maan en de sterren een belangrijke rol speelden. Zo kregen de zigeuners vroeger bij hun geboorte een ster aangewezen die verbonden zou zijn met hun lot.

Ik ontdekte dat de soundtrack van de Spaanse film ‘El septimo dia’ (de zevende dag) van Mecano was. Geen synthi, geen pop, maar flamenco. Deze film is geregisseerd door Carlos Saura die ook meerder films over flamenco maakte. Hij stamde uit de generatie van voor Almodovar en was de favoriete regisseur van Luis Bunuel, vriend van Salvador Dali en Federico Garcia Lorca. Deze laatste drie waren ooit boezemvrienden maar spatte uiteen toen Bunuel en Salvador Dali in hun film ‘un chien andalou’ de werken van Garcia Lorca op de hak namen. De vriendschap was misschien over maar zou nog steeds invloed uitoefenen op hun latere werken.

Federico Garcia Lorca
Garcia Lorca was volgens velen de belangrijkste dichter/schrijver van de (Spaanse) literatuur uit de 20e eeuw. Hij is geboren in een dorpje nabij Granada als zoon van een welvarende boer en een onderwijzeres. In dit Andalusische laagland is zijn kunstenaarschap ontstaan, de grond waar de cultuur bestaat uit katholieke, Arabische, joodse en zigeunerinvloeden. Hij was een goed pianist en leerde in de Sacromonte, een van de grootste zigeunerwijken in Granada, flamencogitaar bespelen.

Lorca’s eerste gedichten stammen uit 1917. In deze periode studeert hij in Granada waarna hij twee jaar later naar Madrid verhuist om rechten te studeren. In het studentenhuis waar hij destijds verbleef ontmoette hij de reeds besproken Bunuel en Dali. Deze kunstenaarsdriehoek is van grote invloed geweest op latere kunstenaars. De relatie met Dali wordt vaak ‘homoseksueel getint’ gekarakteriseerd. Hij is in die tijd al een vrij bekend dichter.

In 1928 breekt Lorca definitief door met zijn gedichtenbundel ‘Gitaanse Romancero’, wellicht de meest gelezen gedichtenbundel in Spanje. Hierin worden allerlei thema’s besproken als liefde, dood, eenzaamheid en onderdrukking. Deze gedichten zijn gebaseerd op het typische leven van de Andalusische zigeuners en komen typische onderwerpen aan bod zoals de maan en de wind, die men terug vindt in de mystieke zigeunercultuur. Ook schrijft hij toneelstukken.

Toen in 1931 Spanje van een monarchie transformeerde in een republiek was Lorca een fel voorstander van de republiek. Hij steunde het Volksfront dat wilde verhinderen dat de rechtse partij aan de macht kwam. In 1936 brak de Spaanse burgeroorlog uit en Garcia Lorca werd al in het begin van deze oorlog opgepakt door de falangisten, bondgenoten van Franco, vanwege zijn steun aan het Volksfront maar ook om zijn homoseksualiteit. Twee dagen later wordt hij op 38-jarige leeftijd geëxecuteerd, naar men zegt aan de voet van een olijfboom. Lorcabiograaf Ian Gibson weet dat één van zijn moordenaars zei dat hij nog ‘twee kogels in zijn reet had geschoten omdat het een flikker was’. Het lichaam van Federico García Lorca is nooit gevonden.

Naar aanleiding van zijn gedichten zijn de cantaores (flamencozangers)zijn gedichten gaan zingen. Deze noemt men de zogenaamde ‘Lorquenas’. Een mooi voorbeeld hiervan is het album ‘La leyende del tiempo’ (de legende van de tijd) van Camaron de la isla, een ode aan het werk van Federico Garcia Lorca. Dit album was progressief binnen de flamenco en niet onomstreden. Hij voegde elementen toe als drums, elektrische gitaar, toetsen en synthesizer. Er waren zelfs ‘flaminguistas’ die de plaat terugbrachten naar de winkel om dit Camaron niet kon zijn.

De liederen op dit album zijn onder andere teksten van Federico Garcia Lorca, zoals het opzwepende ‘la leyenda del tiempo’ en ‘Romance del Amargo’ (beide nummer op CD). Deze laatste komt uit de ‘Gitaanse Romance’ van Garcia Lorca. Camaron zingt hiervan het derde vers:

Bestel maar kaarsen en klokken.
Leer je handen vouwen
en proef de koude winden

van metalen en van rotsen.

Want binnen twee maanden lig je
met je doodskleed aan.

(uit: ‘Romance van de gedagvaarde’, F. Garcia Lorca)

‘El Camaron’
Camaron de la Isla is zonder meer de grootste flamenco ‘cantaor’ (zanger) van de vorige eeuw. Dat wat Bob Marley voor de reggae was, was Camaron voor de flamenco. Evenals Bob Marley was hij zeer gerespecteerd als persoon en als artiest binnen de eigen gemeenschap, bracht hij de muziek bij een groter publiek, maar blies hij ook nieuw leven in de flamenco. Zijn echte naam was Jose Monje Cruz. De bijnaam kreeg hij van zijn oom omdat hij voor een zigeuner licht haar en een lichte huid had; Camaron de la isla betekend letterlijk ‘garnaal van het eiland’.

Al op jonge leeftijd zong hij op straat om zo wat bij te verdienen. Op zijn zestiende deed hij mee aan het ‘Festival del Cante Jondo de Mairena del Alcor’, een festival ter ere van de traditionele flamenco zang. De wedstrijd die hieraan verbonden was won hij. Hierna vertrok hij naar Madrid om hier vervolgens 12 jaar te blijven. Hij zong in vaste dienst in Tablao Torres Bermejas. Dit is de plaats waar hij Paco de Lucia ontmoette waarmee hij tussen 1969 en 1977 negen albums op nam. Samen trokken ze lange tijd rond om op te treden totdat Paco de Lucia zich bezig wilde houden met soloprojecten. Paco de Lucia zocht meer uitdagingen en werd een virtuoos gitaarspeler. Hij werkte later onder andere samen met Al Dimeola. Een leerling van Paco de Lucia, Tomatito, werd de nieuwe begeleider van Camaron. (zie bijlage 2: afbeelding van een zingende Camaron de la Isla begeleidt door Tomatito) Tomatito zit overigens in de film ‘Vengo’ waarin hij in de openingscene een perfecte crossover laat horen van flamenco en soufi (zie CD).

Op 23-jarige leeftijd trouwde Camaron met de negen jaar jongere Dolores Montoya, een zigeunermeisje, waar mee hij vier kinderen kreeg. Camaron de la Isla wordt gezien als een van de meest invloedrijke flamenco zangers van de moderne tijd. Ook heeft hij de basis gelegd voor wat later de Nuevo Flamenco zou worden.

Om een beeld van zijn indrukwekkende en enigszins tragische leven te zien is de biografische film ‘Camaron’ (2004), met als titelsong ‘soy gitano’ (ik ben een zigeuner) (zie CD), een aanrader. Camaron de la Isla is een inspiratiebron voor velen die affiniteit hebben met flamenco. Zo ook voor de jongere generatie cantaores als Miguel Poveda, een van de veelbelovende zangers. In de film ‘Teta y la luna’ (1994) zingt hij ‘na es eterno’ (zie CD; versie Camaron) van Camaron de la Isla. De carriere van deze cantaor uit Barcelona begon pas definitief na deze film.

Zijn leven eidigde op 42-jarige leeftijd in 1992 als gevolg van longkanker. Bij zijn begrafenis waren naar schatting meer dan 100.000 mensen aanwezig.

Conclusie/Nawoord
Flamenco op zich is een pure muziekstroming die zijn wortels heeft liggen in de multi-ethniciteit van Andalucia door de eeuwen heen.  Ook is deze kunstvorm multidisciplinair. Het heeft connecties met religie, cultuur en verschillende kunstvormen zoals de arme zigeunerpopulatie van Andalucia en de gelovigen die elk jaar een bedevaartstocht maken naar El Rocio. Of denk aan de link tussen flamenco en F. Garcia Lorca, die zich liet beinvloeden door de flamenco, andalucia en de zigeunercultuur.

Flamenco heeft zijn bladeren laten vallen op de popmuziek in ondermeer Spanje. Denk aan groepen als Ojos de Brujo, Los Calis en artiesten als El Bicho, Estopa. Het heeft zijn inkervingen gehad; de wereldmuziek invloeden die Ketama mixte met flamenco. Maar misschien was een van de belangrijkste gebeurtenissen met betrekking tot pop-invloeden de CD ‘La leyenda del tiempo’ van Camaron de la Isla. Vernieuwend en een ode aan Lorca. Of de (bijna) afgevallen bladeren van de muziek die de commercialiteit opzocht zoals de muziek van ‘the Gipsy Kings’.

Flamenco heeft vruchten afgeworpen waar men nog lang van kan genieten. De oude legendes die hun stempel hebben gedrukt op deze muziek, de generaties die hierop volgden met onder andere Camaron, Enrique Morente en Jose Merce en de nieuwe lichting met onder ander Miguel Poveda en Duquende.

Hoe zal het verder gaan met deze mystieke vorm van kunst? Het benieuwd mij hoe flamenco over 100 jaar zal zijn en beleefd wordt. Wat voor vernieuwingen zullen er optreden? In het begin ging het puur om de zang, later werd de gitaar toegevoegd en later instrumenten uit de popmuziek en wereldmuziek. Latere toevoegingen werden in het begin raar bevonden en zelfs gezien als verraad aan de flamenco maar tegenwoordig zijn deze bijna normaal geworden. Zou het ooit zo ver komen dat er elektronische palos komen? In mijn voorstelling hierover hoop ik het van niet. De exacte toekomst voorspellen gaat helaas niet. Want de toekomst zal nog moet bestaan en de geschiedenis heeft bestaan. Het enige wat bestaat is het heden, nu, een mooi moment om flamenco te beleven, duende te voelen.

Bronvermelding:

Literatuur:

Cassiman (Roland) Flamenco – een passie/una passion

Vierde druk 2005, p. 107, De vleermuis, Roermond

Webster (Jason) Duende – De passie van Spanje

Eerste druk 2004, p. 302, Mouria, Amsterdam

Hermans (Ivo) Duende – een bericht over Andalucia, Flamenco en zigeuners

vijfde druk 2004, p. 189, Epo, Berchem, Belgie

Garcia Lorca (Federico) Gitaanse Romancero en Divan van de tamarit

1924-1927, Ned. Vert. 1986, p. 59, C. De vries-Brouwers, Antwerpen


Websites:

www.flwi.ugent.be/cie/RUG/deley21_3.htm

www.compas-flamenco.com/en/palos.html

www.flamenco.nl

www.turkmusikisi.com/calgilar/ud/ud_eng.asp

www.zacharychartkoff.com/2007/07/04/the-theory-and-function-of-the-duende%C2%ABteoria-y-juego-del-duende%C2%BB-part-1/

www.youtube.com

www.wikipedia.nl

www.wikipedia.org

www.imdb.com

www.sevillanas.nl/documents/tijdelijkepaginas/rocio.php

www.rocio.com

www.parool.nl/wereldpoezie/recensie_4.html

www.last.fm

Films:

Almodovar, Pedro – Volver (2006)

Bigas Luna – Teta y la luna (1994)

Chavarri, Jaime – Camaron (2005)

Gatlif, Tony – Vengo (2000)

Gatlif, Tony – Latcho Drom (1993)

Saura, Carlos – El septimo Dia (2004)

TV:

Journaal (NOS) – item ‘Romeria del Rocio’ – 10 mei 2008

HOLY SHIT! (KRO) afl. 3, ‘Romeria del Rocio’ – 7 oktober 2007

This entry was written by admin, posted on January 7, 2010 at 12:49 pm, filed under Artikelen. Bookmark the permalink. Follow any comments here with the RSS feed for this post.

Have your say

Add your comment below, or trackback from your own site. Subscribe to these comments.

:

: